#316

Stolpersteine voor bewoners Joods bejaardentehuis Soesja Citroen

GV Oosthaven 31 bejaardentehuis

In Gouda zetelde ooit een statig Joods bejaardentehuis op de Oosthaven 31. Directrice van dit Centraal Tehuis was verpleegster Sara Teixeira de Mattos. Bij een razzia op 9 april 1943 werden vrijwel alle bewoners opgepakt en gedeporteerd. Vierenzestig Stolpersteine liggen nu in de stoep voor het tehuis ter herinnering aan de voormalige bewoners.

Meer dan de helft van de bewoners was van Nederlandse komaf, maar er waren ook veel buitenlandse vluchtelingen. Naast de bejaarde pensiongasten woonden er veel medewerkers: van keukenpersoneel en huishoudsters tot huisknechten en stokers. Het gros van de pensiongasten was tussen de zestig en negentig jaar oud. Velen waren verweduwd. Sommigen nooit gehuwd, zoals de van oorsprong Goudse zussen Rozette (80) en Mietje de Wolf (72).

Verhaal directrice Sara

De voormalige directrice vertelde na de Tweede Wereldoorlog aan Ds. Van Itterzon, hoe het er tijdens de bezetting aan toeging in het tehuis. “Het was in juli 42, dat de eerste geruchten van Jodendeportaties de ronde deden. De situatie werd steeds nijpender. Geen week ging voorbij of we kregen bezoek van de Hollandse politie om Joden op te halen. Veel van ons personeel moest mee.”

Toen kwam de rampzalige aprildag in 1943: “Het was vrijdagmiddag 9 april dat ik bezoek kreeg van een mij onbekende dame, die me waarschuwde dat een extra grote trein klaarstond en dat het Goudse politiekorps ’s avonds in zijn geheel moest aantreden. Het personeel stelde ik hiervan direct op de hoogte en natuurlijk liet ik hen die dat verkozen direct weggaan. Na de maaltijd heb ik de oudjes moeten vertellen, dat zij zich hadden klaar te maken voor de reis. Er was geen paniek eerder een soort gelatenheid. Men ging zich aankleden en de rugzak die eigenlijk al klaar stond inpakken.”

Grote aprilrazzia van 1943

Vrijdagavond 9 april 1943 verscheen eerst agent Oudenaarden van de Goudse politieke politie. Kort daarop kwam de SS met het Haagse politiekorps. De fanatieke nazi Franz Fischer had de leiding. Vrijwel alle bewoners van het tehuis werden opgepakt. Tegen 22.00 uur ’s avonds werden allen op vrachtwagens geladen en naar het station gebracht. Hier stond de trein klaar om hen naar doorgangskamp Westerbork te brengen. In deze trein zaten naast de tehuisbewoners tientallen Joodse stadgenoten van andere adressen, die op deze dag opgepakt waren.

Kil politieverslag

Een Gouds politierapport van 11 april meldt: “Op last van de Sicherheitspolizei zijn op Vrijdag 9 April voor evacuatie naar Westerbork aangehouden de navolgende joden en jodinnen.” Daaronder zie je een ellenlange lijst van 103 namen met per persoon de geboorteplek en -datum, nationaliteit en beroep. Hoe kil kan ambtelijk proza zijn.

Deportatie en moord

Vrijwel alle bewoners van het tehuis werden vermoord, meest in Sobibor. Ook de andere, die dag opgepakte, Joodse stadgenoten gingen de dood tegemoet. Alleen directrice Sara overleefde.

Hoogbejaarde Paulina en verpleegster Margarete

De oudste gedeporteerde pensiongast was de uit Tilburg afkomstige weduwe Paulina Elzas-Gersons (93). Binnen een week werd ze vermoord in Sobibor. De Duitse vluchtelinge Margarete Michelson (41) was verpleegster. Door haar beroep was ze misschien nog even nuttig in Westerbork en Theresienstadt, maar na anderhalf jaar wachtte haar de dood in Auschwitz.

Puck, Bertus en tante Saartje

Diverse familieleden van de in Gouda geboren dichter en wetenschapper Leo Vroman werden vermoord. Onder meer zijn achternicht Jacoba Keetje (Puck) en achterneef Bertus Meijer, die beiden in het tehuis werkten. Puck (20) was dagverpleegster, Bertus (27) stoker. Bertus was Leo’s boezemvriend. Leo schreef over hem: “Ergens in Polen ligt nog zijn schoon en wit geworden skelet. En ik ben hier, nog steeds joods. Pijnloos.”

Ook met Leo’s tante Saartje liep het slecht af. Zij wist het tehuis te ontvluchten bij de grote aprilrazzia. Volgens een Amsterdams politierapport sprong ze begin mei 1943 in de Stadiongracht. Een wanhopige poging tot zelfmoord. Ze werd gered en eind september 1943 alsnog vermoord in Auschwitz.

Verhaal Ies Cohen

De vader van Ies Cohen was administrateur bij het bejaardentehuis. Ies beschrijft in zijn manuscript ‘De Oorlogsjaren van Ies Cohen’ hoe zijn vader bij de razzia maar net wist te ontsnappen. In 2013 bij de plaatsing van Stolpersteine voor het bejaardentehuis zei Ies: “Vrijwel alle bejaarden onder wie een oudtante van mij, tante Netje Cohen, zijn vermoord. Een schanddaad waar ik geen woorden voor heb.”

64 Stolpersteine ter herinnering

Vierenzestig Stolpersteine in de stoep voor de Oosthaven 31 herinneren nu aan: Schafte (86), Amalie (79), Isaak (55), Lina (73), David (78), Jannetta (Netje) (81), Helena (69), Betje (67), Leopold (70), Julie (67), Paulina (93), Catharina (77), Reintje (74), Markus (40), Grietje (81), Lea (76), Kaatje (71), Henri (76), Lion (80), Antje (82), Elias (74), Frieda (58), Julius (39), Samuël (74), Bertha (75), Grete (36), Levi (81), Elizabeth (82), Helena (35), Emma (80), Heintje (81), Zirje (Adele) (68), Judith (64), Bertus (27), Jacoba (Puck) (20), Louise (70), Margarete (41), Roza (39), Eva (90), Antonie (69), Emma (77), Anna (58), Babette (74), Gustav (63), Annetta (69), Henriette (85), Marie (74), Eva (90), Saartje (72), Helena (76), Rebekka (81), Jacob (71), Mientje (74), Mietje (72), Rozette (80), Saartje (82), Jacob (76), Sara (71), Manus (79), Lilli (23), Ida (46), Ruth (21), Rosa (46) en Bernard (56).

Dit is een ingekort verhaal uit het boek ‘Hier woonden - Stolpersteine Gouda' geschreven door Soesja Citroen.