#447

Een Mirakel Helma Hartman

Foto door Wim de Jeu 2
Foto: Wim de Jeu

Daar loop ik, Hadewig Piperken Berentsdochter, reizende speelvrouw, met niet veel meer bezit dan mijn lange naam. Ik ben op reis van Dordrecht naar mijn vaders familie in Boeschoten bij Garderen.

Het is het jaar des Heren 1350, en ik loop met mijn mand op de rug richting Gouda. Die mooie stad is zich gestaag aan het uitbreiden, sinds ze nog geen eeuw geleden uit handen van Graaf Floris haar stadsrechten kreeg.

Die Sotte Saterdach

Het is zo langzamerhand alweer tijd voor de jaarlijkse speelliedendag in Gouda. Elk jaar treffen wij, speellieden van allerlei pluimage, elkaar in 'Huys Het Ossenhooft'. De herberg naast de grote bierbrouwerij aan de Westhaven. Inmiddels zijn we ons speellieden-treffen, dat meestal halverwege de wijnmaand – oktober - plaatsvindt, gekscherend 'Die Sotte Saterdach' gaan noemen. Dit omdat we ons door het weerzien van vrienden en collega's soms zo maf gingen gedragen, dat de stadswachten er bijna aan te pas moesten komen. Ik verheug me er enorm op om mijn oude vrienden en collega's weer te zien, zoals Gerhart die Bommer, Hannes die Pipelaere, Maaiken die Trompetter, Daniël die Lutenspeler. Ook de jonge fluytspeelsters, Elien en Raya, die nog niet zo lang aan het festival meedoen, maar zich als ware speellieden ontpoppen. Hier en daar zie ik al wat muzikanten, jongleurs en potsenmakers lopen. Er zijn er ook velen die ik niet ken, want uit allerlei uithoeken van de Lage Landen komen we hier samen.

Een wonder

Ik loop om de markt heen. Te veel drukte, daar houd ik niet van, zeker omdat vorige jaren nog vele huizen daar besmet bleken met de Zwarte Dood. Maar ik word er als vanzelf naartoe getrokken; het geroezemoes klinkt anders dan anders. Dan kom ik twee oude bekenden tegen, Lysbet en Viona. Zij trekken me mee, want er is groot nieuws te horen, zeggen zij. Aan het eind van de Kleyweg zien we een bonte menigte staan rondom twee vrouwen op een kar. Zij zijn duidelijk vrome pelgrims en zij vertellen opgewonden over een mirakel dat zij onlangs zelf hebben meegemaakt: 'Wij zijn Berendina en Theodora. Wij liepen door de Vlamingstraat en keken door de luiken naar binnen bij een zilversmid die in zijn werkplaats aan het werk was. Hij maakte een gravure van Onze Lieve Vrouw. Maar weet je wat zo vreemd was? Naast hem stond een edele dame in een kostbaar blauw gewaad, en het leek wel of zij heel behoedzaam zijn hand aan het sturen was. Wij verbaasden ons daar zeer over. Toen wij later op de terugweg weer langs zijn huis kwamen, vroegen wij aan de kunstenaar wie die dame was. Maar de goede man wist niet waar wij over praatten, en ontkende stellig dat hij hulp had gehad. Nou, wíj weten wel wie die dame geweest moet zijn!' En zo ontstaat er steeds meer verbazing, vreugde en geroep omdat men zich realiseert dat hier, in Gouda, waarlijk een groot mirakel is geschied! Sommigen beginnen zelfs te zingen van 'Halleluia!', en 'Gezellekens allegader, komet nader totten danse! Danset ende zinget pro Maria!' En de twee vrouwen roepen dat men het wonder kan gaan bekijken bij de zilversmid in de Vlamingstraat.

Muziek, drank en lekkernijen

Dat wil ik ook wel. Maar eerst neem ik afscheid van Lysbet en Viona, die weer naar hun huis en familie terugkeren. Ook zoek ik nog wat andere oude vrienden op om alvast wat te eten, drinken en muziek te maken voor dat de festiviteiten van het Sotte speelliedenfestival. Samen lopen we naar de huizen van de wolververs en garenspinners toe, want daar wonen ook de Ierse en Joodse immigranten met wie we vorige jaren zo heerlijk muziek hebben gemaakt. Dat de stad zich ook daar, aan Het Vest, behoorlijk aan het uitbreiden is, had ik vorig jaar al gezien. We spelen de hele middag allerlei muziek, en eten lekkernijen uit de Ierse en Joodse keuken, zoals Barmbrack en Rugelach.

Maria ipse me fecit

Ja, ik ken die kunstenaar wel. Op weg naar de Vlamingstraat moet ik denken aan een aantal jaren geleden, toen ik bij het huis van zilversmid Stellan Witbaert aankwam, en hij met zijn vriend Storm nog laat in de avond een partijtje kolf aan het spelen was. Ik kende hen toen nog niet, maar zij nodigden mij uit om mee te spelen:

Toen zette ik mijn mand in het gras
en vroeg: komt hier iemand nog van pas?
Dan wil ik gaarne spelen gaen!
(Op de wijs van ‘Het Soud een schamel Mersenier')

Net als toen, staat Stellans deur wagenwijd open. Er zijn al veel mensen binnen, en iedereen kletst door elkaar heen. De zilveren plaat met de gravure ligt op zijn werktafel. Iedereen maakt plaats voor elke nieuweling die het wonder wil bekijken. Ik buig me over de tafel heen. Zo'n prachtige en hemelse afbeelding van Onze Lieve Vrouw heb ik nog nooit gezien!

En ja hoor, als ik nog ik beter kijk, zie ik wat anderen ook al gezien hebben: geschreven in de mooiste letters staat daar, in de banderol: 'Maria ipse me fecit'. En toevallig weet ik wel wat dat betekent: 'Maria zelf heeft mij gemaakt'. Wat een geweldig mirakel! En de zilversmid, Stellan Witbaert, staat er trots als een pauw naast, alsof hij Onze Lieve Vrouw (of Heer?) zelf is!

Nu moet ik nog een slaapplaats vinden voor de komende feestdagen. Ik zal maar eens aankloppen bij Barthold die Brune, met zijn vrouw Aleid en hun dochters Annetje en Mariken. Die man doet zijn naamheilige, Bartholomeus, eer aan, want hij heeft al vaker zijn huis opengesteld voor vreemdelingen en andere gasten. En zo loop ik weer terug de binnenstad in, richting Oosthaven.