#265

Gouda 1937 - 2021 Maria van den Heuvel

Stadhuis Frank Boekamp

Op de Wethouder Venteweg, daar woonde ik, vrij aan het begin van de straat. Ik zal drie of vier jaar geweest zijn, toen er allemaal vliegtuigen door de lucht vlogen, waar in de buurt van het station bommen uitvielen.

De ramen waren van ons huis waren beplakt met dat bruine plakband; viel er een bom, dan zouden de scherven blijven hangen. Soms ging de sirene af en dan moest iedereen naar binnen omdat je dan beter beschermd was tegen eventueel rondspringend glas. In de avond gingen de verduisteringsgordijnen dicht, want dan mocht er geen spleetje licht doorschijnen. Buiten was alles pikkedonker en mensen bleven dan liever thuis.

Ons huis was een gedeelte van vier huizen onder één kap. We hadden de luxe van een koperen kraan met een granieten aanrecht met gootsteen. Ook was er een echt toilet in huis, een klein kamertje. Als ze aan het bombarderen waren en vader niet thuis was, zaten we met ons drieën in dat kleine benauwde hok. Ja, er was een broertje bijgekomen. In een hoekje met m’n armen over mijn opgetrokken knieën zat ik daar. Mijn moeder op het toilet met broertje in haar armen. Als het dreunen ophield, mochten we weer naar buiten. Er is een keer op bom gevallen op de Zwarteweg naast het spoor, vlakbij ons. Tjonge wat een gat was dat.

Een kanarie in een kooitje

Maar het gewone leven ging ook door. De melkboer kwam met een hondenkar de deuren langs. Ik vond het zielig; wanneer het warm was lag dat beessie onder de kar met de tong uit zijn bek. En als er nieuws was, kwam er een man met een ratel langs en die schreeuwde van tijd tot tijd zijn verhaal. Soms liep er een stroom van mensen over de Venteweg, voortsjokkend met koffers, zakken, en zelfs de kanarie in een kooitje ging mee.

Wanneer er razzia was door de Duitsers, vluchtte mijn vader naar een tante vlakbij, daar was op zolder een gat in de houten vloer en de zoldering was van hout en ook de zoldervloer was van hout. Daar hield mijn vader zich schuil en werd hij onderhouden met eten tot het weer veilig was. In dat huis was een gasmeter waar telkens muntjes ingegooid moeten worden. Het toilet was gewoon buiten. Dat lijkt me erg lastig, zeker als het vriest.

Een ooievaar en rode kool

Ook herinner ik mij de hongertochten. Ik zat achterop de fiets bij mijn vader en we gingen de boeren af om iets te ruilen voor een hap eten. De banden waren massief en de Duitsers konden zomaar je fiets afpakken. We hadden honger en mijn vader maakte van suikerbieten stroop en van het pulp bakte hij koeken.

Ondertussen had ik er een zusje bijgekregen. Er werd mij verteld dat de ooievaar mijn zusje gebracht had en mijn moeder in haar been geprikt had en ze daarom ziek in bed lag. Maar waar kwam mijn zusje dan vandaan? Nou zei mijn vader ze komt uit de rode kool. Achter het huis aan de dijk liep een slootje en aan dat slootje had mijn vader een moestuintje. En daar stonden de kolen en boontjes en zelfs tabaksbladeren. Veel mensen kweekten wat groente. Ik ging op onderzoek uit en heb alle rode kolen gemold, maar geen kindje gevonden. Ik had toen wel een boze vader.

Stelen om te kunnen eten

Het ging niet goed met mijn moeder en ineens was ze weg met mijn kleine zusje. Ik ging overal heen, eerst naar een boerderij en gezin in Zeeland en daarna werd ik bij een andere tante gedumpt met een flink blik met havermout. Rinse appelstroop stond erop. Dezelfde dag dumpte mijn tante mij bij een andere tante in dezelfde straat, de Snoystraat. Haar man was in de oorlog en ze had een zoontje. Daar kwam ik in huis.

De oorlog was nagenoeg voorbij. Toch werd ik er met een tas op uitgestuurd om aardappels te stelen. In het water tegenover de Garenspinnerij lagen schepen met aardappels. Daar klom je stiekem op en maakt je met een scherp voorwerp een gaatje in de zak, dan had je wel een aardappel. Veel aardappels waren rot, die stonken als de hel. Stelen vond ik niet fijn, maar ja ... Wat minder erg was het, om de vuilbakken buiten te onderzoeken; met een maaltje schillen hadden we weer wat te eten. Ook dat was niet fijn. Dan was er nog de gaarkeuken. Van overal uit de buurt kwamen de mensen met pannetjes. Bij de Garenspinnerij stonden mensen de soep of het vaak waterige voedsel uit te delen.

Na de kou kwam de bevrijding

Het was heel koud die winter en ik sliep bij mijn tante in het grote bed. Omdat we er in de nacht wel eens uit moesten om te plassen, was er een nachtspiegel met een deksel. Ik moest nodig die nacht, maar de pot was vol, de achterdeur was op slot en ik kroop maar weer in bed. De volgende ochtend was het bed nat. Wat was ik voor hummel? Straf kreeg ik. De hele dag moest ik me op zolder vermaken in de kou en kreeg ik alleen droog brood en water. En koud dat het was, zo koud …

De bevrijding kwam en de mannen kwamen thuis. Wij kinderen uit De Korte Akkeren gingen langs de versierde huizen in de straat toe om te zingen en vaak nog verder naar andere adressen van weer gelukkige mensen waar de vader terugkwam. In de stad werden sommige meisjes kaalgeschoren, omdat ze met de Duitsers heulden. Mijn oom kwam ook thuis en ik moest mijn plaatsje afstaan en ging met een groep bleekneusjes naar Zweden. Ik was toen zeven jaar.

Na 40 jaar terug in Gouda

Daarna ben ik zo lang niet meer in Gouda geweest. Na 40 jaar kreeg ik heimwee en kwam ik terug. Wat was Gouda groot geworden, ik kende bijna niemand meer. Hele nieuwe wijken en heel veel mensen uit het buitenland. En nu woon ik alweer zolang in Gouda. Ik ga naar een kerk waar veel mensen uit Azië komen. Veel mensen zijn dakloos.

Al dertig jaar staat iedere zaterdagavond de Stadslicht evangelisatiebus op de Markt. Daar heb ik Pete Ackers ontmoet, een dakloze zwerver; een gemoedelijke, vriendelijke man. Een jaar of zes zijn we met elkaar opgetrokken. De lockdown vanwege corona maakte dat de bus er niet meer mocht staan. Pete werd ziek en ging naar Zeist. Iedere week kwam hij naar Gouda en gingen we naar De Rivierkerk. De dienst was livestream. De kerkmensen mochten niet meer naar de kerk, maar wij mochten iedere zondag de dienst live als gast meemaken, dat was heel fijn.

Net als vroeger

De wereld is veranderd. Handen wassen, anderhalve meter afstand tot elkaar, mondkapjes op in winkels, de avondklok. Helaas is mijn maatje Pete ineens overleden, hij heeft een lege plek achtergelaten bij velen. Ik ben nu 84 en alles is zo anders geworden. Er is internet, er zijn computers wasmachines, drogers. Iedereen heeft wel een telefoon. En nog steeds ga ik zolang het mooi weer is iedere zaterdagavond naar de Markt, waar ik geniet van de mooie gebouwen en het klokkenluiden van de Sint Jan. De enige plek in Gouda waar alles nog een beetje op vroeger lijkt.

Foto: Frank Boekamp